Christelijk geloof en seculariteit: Om Christus te volgen moet je je van god bekeren.

Ik breek me soms het hoofd over hoe het geloof nog relevant kan zijn in onze seculaire post-christelijke maatschappij. (Net zoals ik me soms het hoofd breek over waarom ik er m’n hoofd over breek.) De christelijke god, als dé god, dé god die achter het wereldgebeuren staat en de ultieme autoriteit bezit, is uitgewist. Betekenisloos gemaakt. De god is nu een driehoekig oog op een dollarbiljet, een grijze baard op een schilderij of figurant in satirische cartoons. Eerst was het nog eng: kijken of er nu een bliksem uit de hemel komt. Maar die kwam niet. Nietzsche’s gek waarschuwde nog dat met de dood van god de grondvesten van de wereld los waren gekomen. Op twee wereldoorlogen na viel dat eigenlijk best wel mee.

Het is juist gebleken dat het niet veel uitmaakt of mensen in god geloven. Dit geldt voor het persoonlijke vlak maar ook op maatschappelijk vlak. Het blijkt dat mensen best heel brave burgers kunnen zijn zonder god. Tijdens de tweede wereldoorlog waren het met name atheïsten die grote moed toonden en met gevaar voor eigen leven zich inzetten voor de Joodse naaste. Als maatschappij zijn we na diezelfde tweede wereldoorlog veel beter geworden in het het eerlijk verdelen van de welvaart en tegenwoordig maken we ons zonder god zelfs druk om gelijke rechten voor iedereen. Je kunt toch niet echt zeggen dat dit besef van gelijkheid nu echt enorm wordt geïnspireerd door christelijke waarden. Ahum.

Nee, god is echt verdwenen en het maakt niet veel verschil. Nu is er onder intellectuelen en filosofen wel weer een beweging terug naar de christelijke wortels van onze Westerse beschaving maar daarmee is er nog geen geestelijk reveil in zicht. Integendeel, een belangrijk denker als Slavoj Žižek, bijvoorbeeld, die veel in dialoog met het christelijk geloof staat, is en blijft braaf een materialistische atheïst. Het woord god is een symbolisch woord geworden zonder ontologische inhoud, d.w.z. er staat geen entiteit achter en als dat al zo is dan is dat een zich verschuilende entiteit die geen boodschap heeft aan wat mensen erover zeggen of wat ze met dat woord doen. God is een woord zonder content geworden dat slechts inspiratie biedt aan dure Hollywood producties waarin slechte scripts gecompenseerd worden door een overdaad aan CGI.

Nu we zo een aantal decennia met dat woord god aan het spelen zijn geweest zijn, komen we langzaamaan tot de ontdekking dat het natuurlijk niet zo kan zijn dat ons vroeger gebruik van dat woord (toen we nog heel erg gelovig waren als Westerse beschaving) dan zomaar wel ineens een ontologische lading had, d.w.z. dat er wél een entiteit achter schuil ging die inderdaad almachtig, alziend, alwetend en alomtegenwoordig was. Nee, ook dat gebruik van het woord god, hoezeer men dat toen ook deed met de gedachte dat het een referent was naar een werkelijk bestaand bovennatuurlijk wezen, was slechts een constructie, een symbool, een metafoor. Eindelijk weten we hoe het zit.

God vandaag

Ik wil nu niet beweren dat het woord god helemaal niet meer gebruikt mag worden of dat ikzelf besloten heb atheïst te worden. Ik wil alleen maar zeggen dat de zoektocht naar de relevantie van het begrip god een werkelijk onmogelijk opgave is geworden. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door wat wij nu stiekem te weten zijn gekomen; het komt ook doordat god een rare rol heeft gespeeld door de geschiedenis heen: zeggen dat je om de armen geeft maar de machtigen voortdurend in de kaart spelen bij hun poging de armen te onderdrukken. Dat werkt natuurlijk niet. Het komt ook niet in het minst door het tegenwoordige gedrag van god zelf die het schijnbaar best vindt dat mensen niet meer geloven en het best vindt dat de wereld ook zonder godsgeloof doordraait. Als god bestaat, is het echt knap van god dat god zich nergens druk over maakt en de wereld zomaar z’n ding laat doen. Sterker nog, ik vind het best lullig van god–nee, ik druk me niet goed uit. Ik vind het best schofterig van god dat god niet van zich laat horen. Juist nu het zo nodig is.

In de eerste plaats, sta ik als gelovige redelijk voor paal samen met alle ander gelovigen. Daar zijn we dan, god lovende, het evangelie predikende, 2000 jaar lang en dan blijkt het allemaal peperkoek happen te zijn geweest. In de tweede plaats, en hier ben ik echt verontwaardigd over, zou god, als gods eigen eer al niet op het spel stond, zich tenminste kunnen bekommeren om al het onrecht dat er gebeurt. God zou om kunnen zien naar de onderdrukten in hun nood, een halt toeroepen aan de vernietiging van de aarde, een beetje helpen bij het zoeken naar oplossingen voor de grote vraagstukken van vandaag. Maar nee hoor, geen goddelijk ingrijpen. Niet links. Niet rechts. Niet van onderen. Niet van boven. Stilte. God is zelf tamelijk goddeloos, zou je kunnen zeggen. Dit is niet alleen een klap in het gezicht van de relevantie. Het is er de doodsteek voor. Geloof in god is niet langer relevant want er is geen enkele manier waarop het begrip god nog van enige betekenis kan zijn in onze Westerse samenleving.

Dit wordt natuurlijk verergert door het gebruik van god dat wél is overgebleven. Het “God bless America” of “In God We Trust” slaat op gebruik van de god voor politieke doeleinden door mensen die de macht aan zich willen binden met beroep op een hogere entiteit die de aardse macht rechtvaardigt. De kerk in het Westen is natuurlijk niet in de laatste plaatse zelf schuldig. Met een constant beroep op naastenliefde en talloze verwijzingen naar het voorbeeld van Christus bekommeren ze zich nauwelijks om klimaatverandering of sociale rechtvaardigheid. Voor sommigen komt de ecologische apocalypse zelfs als geroepen omdat zo het einde der tijden concreter wordt. Nee, de Westerse Kerk heeft zich altijd behoorlijk schuldig gemaakt aan al de zonden die het Westers kolonialisme en imperialisme rijk zijn. Of het nu een staatskerk betrof of een kleine kudde die zich afscheidde van de boze zondige wereld of een wijdvertakte Kerk met veel macht, de status quo moest vooral niet in het geding komen. Marx was dan ook echt van de duivel want die wilde echte veranderingen.

De godbewijzers

Nu we het dan toch hebben over de de Kerk in het Westen, is het uiterst vermakelijk om te zien hoe sommigen hebben gereageerd op het toenemende gebrek aan relevantie van god. Sommigen meenden dat daar wat aan te doen was door het woord god weer te vullen met ontologische content, d.w.z. door te bewijzen dat god echt bestaat. Dat bleek heel erg lastig. Veel van deze godbewijzers dachten namelijk dat het probleem op te lossen was middels logische argumenten. Aan de ene kant waren ze kinderen van de Verlichting met hun onverbeterlijk vertrouwen in het vermogen van de menselijke geest. Maar in hun logica grepen ze terug op Aristoteles en Aquino. Niet echt slim omdat het Westen niet alleen niet stilstond in relatie tot de godverlating maar ook in relatie tot het eigen denken.

Ik bedoel, Francis Bacon was al niet echt kapot van de Aristotelische wetenschap. Hij ontwikkelde een nieuwe methode die ontzettend effectief was in het verkrijgen van kennis over de wereld. Als Aquino in de middeleeuwen (toen Aristoteles herontdekt werd) uiteindelijk al niet succesvol was in het dichten van het gat tussen genade en natuur, wat dachten de godbewijzers van de postmoderne tijd dan uit te kunnen halen nu de wetenschappelijke methode van Bacon via Newton, Darwin, en Einstein geleid had tot een verklaring van de werkelijkheid waar geen goddelijke openbaring tot dusver aan had kunnen tippen. Lullig, maar dan moet je even niet meer met je deductieve godsbewijzen aankomen.

Welke god wordt trouwens bewezen? Moet je niet eerst een definitie van het woord god opstellen en is zo’n definitie niet onmogelijk gelet op de ontologische inhoudsloosheid van het woord? En zelfs al zouden we het eens kunnen worden over een definitie is zo’n definitie dan niet onderworpen aan het menselijk voorstellingsvermogen en spant die zich niet uit binnen de grenzen van dit voorstellingsvermogen zodat het product al te menselijk is? Is niet elke bewezen god een afgod? Is niet het bewijzen zelf het grootste bewijs dat god altijd maar een constructie is en dus eigenlijk niet bestaat?

Het rookgordijn

Ik kwam er zelf langzaam achter hoe onzinnig deze hele poging is om god te bewijzen. Ik was namelijk ooit zelf zo’n godbewijzer die zocht naar de relevantie van god en geloof en meende dat te kunnen bereiken met het deductieve argument. De godsbewijzen dragen bij aan de irrelevantie van god. En wel op vier manieren:

(a) De eerste manier heb ik al genoemd: je kunt alleen bewijzen wat je kunt bedenken en dat is altijd minder dan god.

(b) Het gaat hier om een complexe circulaire vorm van redeneren. De output van het argument (god) is tevens de input voor de argumenten omdat zij zich aan moeten passen aan de voorgestelde these god. Er valt op zo’n manier veel meer te bewijzen dan in werkelijkheid mogelijk is.

(c) Als god bewezen moet worden, dan is het nog maar de vraag of god het bewijzen waard is. Immers, we zijn allemaal druk bezig met het leven en maatschappij spelen en het gaat best zo (afgezien van de wereldbedreigende problemen waar er maar een paar van zijn). Dus zullen we dat bewijs even uitstellen? Want stel je voor dat het bewijs nog sluitend zou zijn ook! Ik behoud liever even m’n onwetendheid. Ik kies voor deze onwetendheid en daarmee stel ik gods bestaan even uit. Wat ik bedoel is dit: als god voor gods almacht, heiligheid, heerlijkheid, alomtegenwoordigheid, etc. afhankelijk is van mijn overtuigd worden van haar/zijn bestaan, dan is dat een nepgod. Immers alleen een god aan wier/wiens aandacht ik niet kan ontsnappen en die ik zelf niet buiten mijn blikveld kan plaatsen is god. Nu is er wel zo’n god, nl. de economie, maar de bijbelse god is echt afhankelijk geworden van mijn aandacht en dus niet een echte god. Mijn geloof is de conditie geworden voor gods bestaan en daarmee is god elk bestaansrecht ontnomen.

(d) De vierde manier gaat over hoe het godsbewijs eigenlijk een rookgordijn is. Er is in het verleden al flink gesolt met het evangelie van Jezus Christus. Je kunt Jezus zonder al te veel moeite portretteren als de vervulling van de wet van Mozes en de Joodse Tenach (denk aan Jezus’ Bergrede en de innovatieve ideeën van de apostel Paulus). Toch werd de horizontale oriëntatie in Jezus’ onderwijs die gaat over recht en gerechtigheid op aarde al gauw omgebogen tot een verticaal verhaal waarbij zielen de hemel infloepen en het vooral draait om naar “boven” gaan uit deze “ellendige wereld”. Best te begrijpen, vooral in de middeleeuwen, bijvoorbeeld. Eén belangrijke variant van deze verticalisering van het evangelie is te vinden in de geloofsgroep waar ik zelf uit voortkom, het evangelisch christendom.

Het gaat misschien te ver om te zeggen dat de verticalisering is bedoeld om de ogen te kunnen sluiten voor de horizontale oriëntatie van het evangelie. De geschiedenis is immers erg complex en het is niet altijd goed te achterhalen waarom bepaalde ontwikkelen plaatsvinden. Toch is het tekenend dat juist de evangelische beweging die zo ontzettend de mond vol heeft over Jezus, doorgaans vrij weinig te zeggen heeft over recht en gerechtigheid. In Amerika is dat helemaal een probleem, vooral als je naar het racisme en wit privilege van evangelischen kijkt, maar ook hier in ons Westen is er iets raars aan de hand. Het probleem is echter kerkbreed en zit niet alleen bij de evangelischen. Er is vaak een nadruk op de verzoening met God (het verticale) en het hiernamaals. Bij kerken die vrijzinniger zijn en daarmee minder verticaal georiënteerd zijn, wordt er weliswaar meer gesproken over solidariteit, verbondenheid, maakbaarheid en alles wat met het “hiernumaals” te maken heeft. Maar is daar alles mee gezegd?

Nieuwe mogelijkheden

Nee, want in beide gevallen functioneert de kerk met haar theologie als een rookgordijn. De conservatieven zijn antithetisch t.o.v. de maatschappij en proberen of wel door wereldmijding of wel door een conservatieve politiek de god te eren en centraal te stellen. De vrijzinnigen zijn vooral bezig te integreren in de maatschappij om zo deel uit te maken van de brave bourgeoisie die nog geen steen door de ruit durft te gooien. De eerste groep is tegen de status quo en probeert een god relevant te maken die juist uit hoofde van die conservatieve politiek/theologie nooit één vorm van zinnige betekenis zal krijgen, terwijl de vrijzinnige veranthropologiseeerde god al bij voorbaat een brave burger is die netjes ’s ochtends naar z’n werk fietst en ’s avonds de was doet en in het weekend tennist of de moestuin bewerkt. Beide strategieën, als ik ze zo mag noemen, zijn er op gericht om gelovigen de verantwoordelijkheid te ontnemen om werkelijk in de wereld te staan en verandering te brengen.

Ik denk daarom–en daar gaat het mij om in dit essay– dat de irrelevantie van god in onze maatschappij nieuwe mogelijkheden biedt om opnieuw na te denken over Christus’ leer. Godsbewijzen zullen ons niet een herkerstening opleveren en god is er ook niet mee gebaat. Misschien bestaat god wel niet eens. In de moderniteit hebben we onszelf wijs gemaakt dat het grote vraagstuk is of god bestaat. En nu komen we tot de ontdekking dat het bestaan van god irrelevant is net als het woord god. Pas wanneer we dit ten volle durven te omarmen, kan onze verbeelding op gang gebracht worden. Maar dan moeten we ons wel durven bekeren. Namelijk ons bekeren van de godconstructies die we in het leven hebben geroepen met als doel om niet na te hoeven denken over wat wij kunnen betekenen in deze wereld voor het koninkrijk van god. We moeten ons bekeren van de irrelevantie van god en deze god overboord zetten. Het draait in het christelijk geloof niet om de vraag of god bestaat maar of Christus gestalte krijgt in onze levens. En in relatie tot deze Christus is er de vraag hoe we in deze wereld gerechtigheid voort mogen brengen.

Luther

Om dit te verduidelijken, maak ik gebruik van de theologie van Luther. Ik ben zelf geen Luthers christen, maar heb ontdekt dat in de Lutherse traditie en cultuur erg vruchtbare ideeën zijn voortgekomen in onze Westerse geschiedenis die al vaak tot vernieuwing hebben geleid. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Kant, Hegel, Heidegger, Kierkegaard, Bonhoeffer, Moltmann, etc. Maar in de eerste plaats gaat mijn interesse uit naar Luther zelf die eigenhandig de middeleeuwse scholastische orde van God, wereld en kerk omver wist te werpen. In Nederland wordt Luther zwaar onderschat (net zoals Calvijn zwaar overschat wordt–nog steeds).

Eén van de concepten waar Luther mee werkte was dat van de verborgen god (de deus absconditus). Voor Luther was Christus de zelfopenbaring van god. Als consequentie verbond hij daaraan dat bespiegelingen over de ondoorgrondelijkheid van god–bijvoorbeeld de goddelijke uitverkiezing–absoluut zinloos waren. Achter het kruis is er die hele wereld van de verborgen god. Die god is niet in een systeem te integreren (zoals min of meer wel gebeurde in de middeleeuwse theologie) en er moet ook niet over gespeculeerd worden.

Laat die god nou maar, zei Luther, focus op dat wat god van zichzelf gegeven heeft, Christus. Kijk alleen naar Christus; dat is alle god die je ooit te pakken zult krijgen. En inderdaad, dat gemangelde uitgemergelde lichaam van de gekruisigde Christus was voor Luther dan ook het summum van gods aanwezigheid in de wereld. God is anders, totaal anders, want anders komt de god niet aan het kruis terecht. En, ten tweede, god is ook nog eens zwak, want–opnieuw–anders komt de god niet aan het kruis terecht. Jezus wel en aangezien Jezus gods zelfopenbaring is, kun je het maar beter bij Jezus houden en verder niet teveel nadenken over de god. De hele protestante beweging na Luther vond dat maar niks en is als de sodemieter boeken vol systematische theologie gaan schrijven.

Kenotische ontologie

Maar wat als we dit idee van de verborgen god, de deus absconditus, nu eens radicaliseerden? Wat als we nu eens zeggen dat we niet alleen niet na moeten denken over hoe anders god is, maar dat we het gewoon niet over god moeten hebben? God is verborgen en zodra dat begrip onthult wordt in mensenwoorden gaat het een eigen bestaan leiden en gebeuren er allerlei gekke dingen mee die leiden tot onderdrukking, uitbuiting, overheersing, machtswellust, misbruik etc. Daarmee is er niet gezegd dat god niet op een of andere manier werkelijkheid is. Die vraag laten we in het midden. Daar bemoeien we ons gewoon niet mee. We stellen simpelweg Christus centraal. Hij is de belichaming van iets dat anders is dan wij zijn; hij doet iets wat bij de mensheid vrijwel niet voorkomt: ware naastenliefde, het zelf als een gave weggeven zonder iets terug te willen ontvangen. Als zodanig is Christus het einde van god; einde in de zin van het einde van de metafysische god die van boven neerkijkt en de boel regelt, maar ook einde in de zin dat in Christus god zodanig gods doel bereikt heeft dat er verder niet over god gesproken hoeft te worden.

Christus is dan de belichaming van het kenotische principe, nl. de zelfontlediging van het eigen leven voor de ander. Hij is de nieuwe ontologie, d.w.z. een nieuwe vorm van bestaan, waarvan wijzelf niet eens het vermoeden hadden dat het kon bestaan. Kortom, Christus is de kenotische ontologie. In gewoon Nederlands betekent dat een zichzelf gevend bestaan; hoewel, daar is niets gewoon aan, want het komt vrijwel nergens voor. Aan dit zelfgevende bestaan komt het woord god niet te pas. Misschien wel in een ander context, tijdperk of cultuur, maar niet hier. Hier leidt het woord god af van wie god in Christus voor ons geworden is. Elk woord over god is teveel en maakt er iets anders van dat dat wonder van liefde dat wij aan het kruis ontmoeten. Gelet op waar wij zijn in onze tijd, is het woord god er niet essentieel om deze liefde te beschrijven, te ervaren en na te leven. In god geloven is niet voorwaarde om te snappen waar dit over gaat of wat het betekent om Christus te volgen.

De bekering

Sterker nog, de bekering tot Christus is een bekering weg van god. Want de godconstructies dienen toch altijd alleen maar om onszelf de verantwoordelijkheid te ontnemen om zelf zo’n zelfgevend bestaan te gaan leven. Met Christus is er geen god in de hemel meer maar een god die in Christus altijd de weg naar de wereld wijst en gaat. Ga en doe gij alzo–om even oubollige taal uit te slaan.

Let wel, de bekering waar ik over spreek is niet de bekering tot het secularisme of een poging “gelijkvormig” te worden aan de wereld waar we in leven. Het ironische is juist dat wij door het blijven bezigen van het woord god, of we dit nu antithetisch doen (zoals conservatieven) of burgerlijk doen (zoals vrijzinnigen), de seculariteit in de kaart spelen en er zelf mee heulen. We houden zo een steekspel in stand, een doorgaande dialectiek van welles-nietes over de god. Zolang we daar maar over door blijven zeuren kan de god die werkelijk de macht in handen heeft in onze maatschappij–de god van het kapitalisme die doorgaans buiten ons blikveld de armen van de wereld onderdrukt en een ecologische zelfvernietiging van de mensheid in petto heeft–vrijelijk zijn gang gaan.

Door ons te bekeren van god en het gebruik van het woord god, kunnen we de ogen openen voor de waarheid van Jezus’ leven dat zich belangeloos inzet voor de ander. We kunnen dan eindelijk zien dat ons gebruik van het woord god niet meer is dan een poging blind te blijven voor de naaste. Onze god heult met de god van het neoliberalisme en samen doen ze net of ze aan het vechten zijn. Om ons bezig te houden. Om ons te helpen vooral geen verantwoordelijkheid te nemen.

Dus, nee, geen bekering tot het secularisme of de godloze maatschappij maar een principiële keuze tegen alle goden en voor het doen van wat Christus zei. En als je aan Christus vraagt: ben jij god? krijg je vage ontwijkende antwoorden. Want het volgen van Christus gaat niet over of je gelooft of god bestaat. Dat doet de duivel ook, zegt een van de schrijvers in de bijbel. Het volgen van Christus is dat je je bekeert van jouw godsgebruik, of zoals het in oude taal heet, het ijdel gebruiken van de Naam des HEEREN. Ik gaan nog een stapje verder: elk gebruik van die naam is een misbruik, een vloek, een afgodische voor-de-gek-houderij die ons het gevoel geeft dat we god verdedigen terwijl we alleen maar bezig zijn de claim van Christus op ons leven te ontvluchten.

Er blijven nog genoeg vragen onbeantwoord en die kunnen in dit korte essay niet allemaal aan bod komen. Maar de godloosheid van onze tijd, biedt christenen de mogelijkheid om Christus en zijn manier van leven opnieuw te ontdekken en uit te leven. Misschien liggen hier wel de contouren van een nieuw christendom. Christendom 2.0. Een godloos christendom. Maar dan moeten we onszelf wel bekeren van god.

Josh de Keijzer, Ph.D. Systematic Theology, Luther Seminary, St. Paul, MN, USA. Bonhoeffer scholar. Currently living in the Netherlands.

4 Responses

  1. Ha Josh,

    Wat een essay! Je zal vast heel belezen zijn en veel kennis hebben over allerlei dingen.

    Hoe je het beschrijft is zo afstandelijk, zo algemeen. Je hebt een beeld gecreëerd op wat mensen doen of hebben gedaan! Vergeet de mensen, want het probleem van het christendom zijn vaak de christen zelf! Wat heel jammer is.
    Wat als je nu geen gelijk hebt?
    Ik zou zo graag willen dat je het zag, het begreep, het zelf ervoer..
    Ga zelf op zoek. Zoek God. Ga God zien door Jezus te gaan leren kennen. Maak het persoonlijk! Erken de Eindredacteur van je leven.

    Wat als je nu geen gelijk hebt? En er is een God die over je zal oordelen? Wat dan? Dan sta jij opeens voor paal! En niet voor even, maar voor de rest van je leven Josh.

    Het is nog niet te laat om je te bekeren en God te laten werken in jouw leven Josh.

    Wat ik voor je ga doen is bidden en God vragen om je ogen en oren te openen. En dat je een toegankelijk hart krijgt en dat je je mag laten leiden.

    Ik hoop dat ik je hiermee niet heb gekwetst en als dat wel zo is, dan wil ik daarvoor mijn welgemeende excuses voor maken.

    Het gaat je goed Josh en hopelijk tot ziens!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Back to Top
%d bloggers like this: