Hoe vrij wil je zijn? Voorbij de vrijheidsparadox.

Vrijheid is mooi. Vrijheid is moeilijk. Allebei de uitspraken zijn waar. Er is geen groter goed dan de menselijke vrijheid. Het is bijna een open deur intrappen dat te zeggen. En toch is vrijheid tegelijk heel erg kwetsbaar. De vrijheid die wij nu al enkele honderden jaren mogen genieten in het Westen is maar een korte bliep in de geschiedenis van de mensheid. En zelfs dan is die vrijheid vaak ten koste gegaan van de vrijheid van anderen. Denk aan bijvoorbeeld de Afrikanen die als slaven naar de America’s verscheept werden of de zgn. “inheemse” bevolking van de landen die door het Westen gekoloniseerd waren. Vaak ook werd onze vrijheid bedreigd of zelfs onderbroken. Terecht gaat in Nederland Bevrijdingsdag vaak over hoe onze vrijheid als een kostbaar maar kwetsbaar geschenk beschermd moet worden.

Politiek correct

Dat we niet goed om kunnen gaan met vrijheid blijkt altijd maar weer uit de rol die vrijheid speelt in het publieke debat, m.n. als het gaat om vrijheden die tegenover elkaar uitgespeeld worden. De vrijheid van meningsuiting, bijvoorbeeld, staat haaks op de vrijheid om jouw god of jouw vorst niet beledigd te horen worden. Of, op welk moment wordt de vrijheid tot meningsuiting een verlengstuk van de poging tot onderdrukking? Door deze en andere tegenstellingen blijft vrijheid telkens onderwerp van gesprek en is het blijvend het grote experiment van onze beschaving.

Vorige week las ik een artikel op de website van “De Correspondent” van journalist Arjen van Veelen, “Hoe de wereld één grote kerk werd waar anderszijn verboden is.” Het artikel begint verfrissend met een vergelijking tussen de zedenprekerij van de kerk in vervlogen tijden en de geldende terreur van politieke correctheid. Verfrissend, want het mag toch wel eens een keer gezegd worden dat het publieke debat zo gemakkelijke onder de invloed kan komen van de dwaze arrogantie van wat wel en niet gezegd mag worden.

Heeft Arjen niet een punt als hij schrijft dat juist in een tijd van hyperindividualisme en de nadruk op zelfontplooiing we eigenlijk niet kunnen verdragen als mensen daar niet aan mee doen en dus anders zijn? D.w.z. “echt” anders. En is dat dan eigenlijk niet diezelfde conservatieve kerk waar Arjen naar eigen zeggen aan ontvlucht is? Ik denk hij daarin gelijk heeft. Wij mensen veranderen niet echt. We blijven van kerken houden vooral als we daar namens een hoger goed de baas kunnen blijven spelen over anderen.

Neoliberalisme

Maar gaandeweg zijn artikel werd ik minder blij. Zo schuift Arjen politieke correctheid op één hoop met zaken die toch echt best belangrijk zijn zoals het verzet tegen de plofkip en het racisme dat in ons sinterklaasfeest immer aanwezig is. Een langdurig verblijf in Amerika moet een mens toch de ogen openen voor racisme en wit privilege? In zijn conclusie schrijft hij: “Trap niet in de valkuil om fanatisme met fanatisme te beantwoorden.” Okay, maar is het dan fanatiek om echt nog ergens voor te staan, denk ik dan. Is het probleem van moraalridders en kerken nu echt opgelost met lachen, ontspannen, gul, en liberaal zijn, zoals van Veelen suggereert? Ik betwijfel het. Het grootste gevaar voor vrijheid komt nog altijd niet van orthodoxe kerken of mensen die snakken naar “leefregels” of gek zijn op politieke correctheid, maar van hen die de vrijheid uitbuiten voor eigen gewin.

Ik had echter ronduit bedenkingen bij van Veelens karakterisering van het neoliberalisme dat hij enerzijds aanprijst als “ons” experiment in vrijheid en anderzijds kritisch karakteriseert als iets dat door geen enkele ideologie gekenmerkt wordt. Zowel in het enerzijds als het anderzijds gaat Arjen echt de fout in. Het neoliberalisme mag dan wel zij die er voordeel bij hebben het gevoel geven dat er geen ideologie aan te pas komt, maar de werkelijkheid is heel anders. Er is geen betere ideologie dan die mensen het besef geeft dat ze een getrouwe neutrale weergave van de werkelijkheid voorgespiegeld krijgen. Het neoliberalisme echter is in werkelijkheid een ideologie die systemen van onrecht en onderdrukking normaliseert ten gunste van het winstbejag van de grote multinationals die op hun beurt hun onrecht afkopen met de goederen die ze de Westerse consument voorschotelen. Zo blijft iedereen tevreden. Hier dan tenminste.

Als je dan toch over vrijheid wil schrijven is het neoliberalisme een goed onderwerp omdat een analyse ervan de schizofrenie blootlegt in onze beschaving. Aan de ene kant doen we met z’n allen mee met de regels van politiek correct gepraat over ecologische verantwoording terwijl we aan de andere kant de zee nog steeds volgooien met plastic. Aan de ene kant eisen we goedkope consumentenartikelen terwijl we aan de andere kant niet willen weten dat onze producten gemaakt worden door mensen (en vaak kinderen) die er bar weinig voor ontvangen. Aan de ene kant bedingen we hogere lonen omdat het ons recht op vrijheid is, terwijl we aan andere kant niet willen weten dat de prijs doorberekend zal worden naar het milieu en de derde wereld. O ja, we mogen niet derde wereld zeggen; het woord “ontwikkelingslanden” is politiek correct. Ondertussen houden we die derde wereld wel mooi in stand ten behoeve van onze consumentenmaatschappij. Praat me niet over het neo-liberalisme!

De vrijheidsparadox

Om iets aan deze verknipte vrijheid ervan te doen moet er iets meer gebeuren dan kritiek leveren op kerkelijke zedenprekerij of politieke correctheid. Als we werkelijk wisten waar we mee bezig waren, zouden we het woord “vrijheid” niet eens in de mond durven nemen. Is een vrijheid die ten koste gaat van het welzijn van miljoenen mensen en onze aarde kapot maakt vrijheid? Deze vrijheid kan zichzelf niet eens in stand houden, beginnen we langzaam te beseffen. Hoe vrij wil je zijn?

Hoewel het dus goed is om hedendaagse politieke correctheid te vergelijken met het opgestoken vingertje van de kerk vroeger, is er toch echt iets meer nodig om verantwoord over vrijheid te spreken. De vergelijking zelf brengt ons geen stap verder in de zoektocht naar de oplossing voor de paradox die besloten ligt in het concept vrijheid: de vrijheid van de een is potentieel de onderdrukking van de ander. Of om het nog beter te zeggen: de vrijheid van de een is in conflict met de vrijheid van de ander. Daarom is ons debat over vrijheid altijd gericht op het managen van conflicterende vrijheden. Daar komen we er echter niet mee.

Om de vrijheidsparadox te ontstijgen moeten we het anders aanpakken. Een belangrijke inspiratiebron voor een alternatieve manier van denken vinden we juist in de traditie die door van Veelen (ook weer niet geheel onterecht) ten tonele wordt gevoerd als het paradigma van morele bekrompenheid en farizeïsche veroordelingszucht. De christelijke traditie heeft echter naast haar “dieptevlakten” ook haar hoogtepunten. Een heel belangrijke discussie over vrijheid is die plaatsvond in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog tussen de grote Zwitserse theoloog Karl Barth en de jonge Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer.

Pro nobis

Ondanks alle vernieuwing in de theologie (ja, ik doe echt even aan theologie) van de eerste helft van de twintigste eeuw was Barth toch ook nog best erg calvinistisch in zijn denken. Het beginpunt van zijn theologie was een soevereine God die geheel vrij is in zijn doen en laten. Gods autonome vrijheid staat voorop. Bonhoeffer was daar niet echt kapot van. Voor hem was zo’n idee van de goddelijke vrijheid geïnspireerd door juist die problematische paradoxale vrijheid die de behoefte aan vrijheid van anderen teniet doet. En dat blijkt ook wel, want een soevereine vrije God is vrij om te verkiezen en te verwerpen met als gevolg dat je God als gauw als een boeman ziet onder wiens toornend oog jouw menselijk vrijheid slechts een fictie is.

Bonhoeffer had een heel andere opvatting over vrijheid. Gods vrijheid is juist die bijzondere vrijheid voor ons, schreef hij. God is niet zomaar vrij. Als je over Gods vrijheid wil spreken, moet je naar Gods zelfopenbaring in Christus kijken. Als je dat doet, zie dat God vrij is voor ons, pro nobis. God is zodanig vrij dat God zichzelf bindt aan de mensheid om die mensheid dienstbaar te zijn. Hier worden de contouren zichtbaar van een alternatieve vorm van vrijheid; een vrijheid die het hart vormt van het grote verhaal waar het christelijk geloof over gaat.

Deze vrijheid lijkt in de verste verten niet op wat wij onder vrijheid verstaan. Maar als je er diep over nadenkt, ga je beseffen dat er eigenlijk geen grotere vrijheid is dan die uit vrije wil zichzelf geeft aan de ander. We zien het vaak genoeg in films: de grootste vrijheid wordt juist zichtbaar daar waar mensen niet langer gebonden zijn aan hun eigen zelfbeschikking, maar zichzelf geven tot welzijn van de ander.

Follow the money

Misschien denkt iemand bij het lezen van de voorgaande paragrafen dat ik hier een pleidooi wil houden voor een terugkeer naar het christelijk geloof. Dat is echter niet alleen niet het geval, ik denk ook niet dat een terugkeer mogelijk is. We hebben echter in onze seculaire post-christelijke cultuur een onnatuurlijke scheiding aangebracht tussen religieuze en niet-religieuze discourses, tussen het sacrale en seculiere. Nog niet zo lang geleden bestond zo’n scheiding niet en was het vanzelfsprekend dat religie en maatschappij elkaar beïnvloedden. Religieuze (of theologische) ideeën hebben altijd raakvlakken met het totaal van onze publieke sfeer, ten goede of ten kwade.

Laat me dus duidelijk zijn: het gaat hier dus niet over het aanwenden van het debat over vrijheid om religie te promoten. Zelfs verre van dat. Laat atheïsten alsjeblieft atheïst blijven—ik heb er zelf ook wel wat met het atheïsme. Nee, het is er mij om te doen wijsheden in de godsdienst die we als beschaving vaarwel hebben gezegd opnieuw in te zetten om ons seculiere debat van constructieve input te voorzien. Het huidige vrijheidsvraagstuk heeft dringend behoefte aan zo’n wijsheidsinjectie.

Je kunt jezelf trouwens afvragen of die scheidslijn tussen seculier en sacraal ooit wel bestaan heeft. Volgens mij niet. De goden van vandaag vind je opnieuw (net zoals vroeger toen Rome het voor het zeggen had) in het centrum vd macht: Wallstreet en het financieel zakencentrum van London. Waar is God? Follow the money! Onze god is nu het neoliberalisme wiens overheersende karakter juist wordt verdoezeld door politiek correct gedrag, net zoals de verstikkende moraal van de kerk vroeger mensen de ogen toesloot voor de nadrukkelijk wereldse macht van die kerk.

Vrijheid

Waarom is dan het gepraat over God hierboven relevant? Nou simpel. Goden zijn voor mensen meestal de maximale ideale zelfexpressie; het ideaal waar ze zelf niet aan kunnen tippen ook al zouden ze dat willen. Misschien is de christelijke God ook wel meer, maar dat doet er hier niet toe. Dat idee van Bonhoeffer over de vrijheid van de christelijke God als onbaatzuchtige inzet voor de ander is tevens een ideaal van hoe wij mensen met elkaar om zouden moeten gaan in het uitoefenen van onze vrijheid.

Wanneer wij dan dat christelijke concept van vrijheid contrasteren met ons gebruikelijke idee van vrijheid als het ongeremd ten uitvoer brengen van de wil van het individu, blijkt dat de vrijheidsparadox een antwoord krijgt. Wanneer wij de moed hebben om vrijheid op te vatten niet als de ongelimiteerde zelfexpressie van het individu, maar als de uitnodiging om onze keuzemogelijkheid aan te wenden tot welzijn van de ander, gebeurt er iets bijzonders. We hebben het dan niet meer over het zoeken van een balans of een inperking van excessen, maar willen die vrijheid juist aanmoedigen en zoveel mogelijk de kans geven.

Zo’n vrijheid zoekt niet naar een maximalisatie van de winst ten koste van de werknemer. Zo’n vrijheid knijpt niet een oogje toe wanneer kinderarbeid plaatsvindt bij het outsourcen naar een ontwikkelingsland. Zo’n vrijheid gaat geen kwetsende cartoons maken over Allah of Mohammed maar komt ook niet op het idee om bomaanslagen te plegen. Zo’n vrijheid is vrij om anderen te helpen, eigen welvaart te delen, eerlijke begrotingen te maken, samenwerking te zoeken om de aarde te behoeden voor ecologische ondergang.

Misschien denkt iemand dat dit maar sofistische spielerei is met het woord vrijheid, maar dat is helemaal niet zo. Het is juist omdat we als mensen niet vrij zijn, dat we vaak zo hard schreeuwen om ons recht op dit of dat. En het is ook helemaal niet waar dat het handelen vanuit zo’n vrijheid alleen aan christenen voor is behouden. Je komt voorbeelden van deze vrijheid tegen bij mensen op alle continenten en helaas zijn christenen vaak hekkensluiters.

Uiteindelijk is de vraag wat voor vrijheid we willen hebben. Het feit dat we nog steeds denken over vrijheid in termen van maximale individuele zelfontplooiing laat zien hoezeer we nog vast zitten aan ideeën die stammen uit de Verlichting en de moderne periode. Geen wonder dus dat het neoliberalisme vaak lijkt op het imperialisme en kolonialisme van de 19de eeuw.

Arjen van Veelen maakt in zijn conclusie een mooie aanbeveling, die hij helaas niet verder uitdiept, maar waarmee hij, denk ik, best wel dicht bij mijn eigen conclusie komt. Hij zegt “weest gedisciplineerd in je vrijheid”. Een gedisciplineerde vrijheid denkt aan de ander. Dat we ons zo moeilijk een vorm van vrijheid in kunnen denken—laat staan toepassen—die geeft in plaats van neemt, komt omdat deze vrijheid ons echt wat kost: discipline, verantwoordelijkheid, naastenliefde, inzet en offers. Maar is dat niet echte vrijheid, de bereidheid om te geven; en vervolgens het geven zelf?

Photo by Julia Wimmerlin on Unsplash.

Josh de Keijzer, Ph.D. Systematic Theology, Luther Seminary, St. Paul, MN, USA. Bonhoeffer scholar. Currently living in the Netherlands.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Back to Top