Theologie in de 21ste eeuw: de taak van een discipline in het nauw

Theologie in de 21ste eeuw: de taak van een discipline in het nauw

Wat is de taak van theologie vandaag? Voor sommigen is dit een zinloze vraag. Het gaat er toch om met de theologische arbeid God te eren door die ten dienste te stellen van de Kerk die het lichaam van Christus op aarde is? Het is niet voor niets dat Karl Barth in het midden van de 20ste eeuw zijn magnum opus de titel Kirchliche Dogmatik meegaf; juist in een tijd dat dogma en kerk in protestantse kringen vrij weinig voeling meer met elkaar hadden. Theologie moest weer teruggebracht worden bij de Kerk. De Kerk was immers Gods schepping in Christus, een tot leven geroepen gemeenschap van mensen die de eerstelingen zijn van de rijke oogst die komen moet.

 

En zo denken velen er vandaag nog steeds over ook al is er steeds minder kerk om theoloog voor te zijn. Of ze zijn die mening juist daarom toegedaan, omdat in die wegkwijning een hoop wordt gezien voor vernieuwing. Theologisch kun je deze mensen geen ongelijk geven. Immers, Jezus en Paulus laten in hun woorden toch doorschemeren dat de nieuwe geloofsgemeenschap rondom Christus meer is dan een nieuwe religie of een nieuwe persoonlijkheidscultus? De Kerk is de belichaming van het nieuwe dat Jezus is komen brengen.

Het probleem is echter, dat dat nieuwe dat de gemeenschap van Jezus begon te zijn, een gevestigde orde werd die de macht greep. Het heeft heel wat eeuwen mogen duren maar het nieuwe is er voor het Westen toch wel zo’n beetje vanaf. Nadat het christelijk geloof gedurende 200 jaar de status van belegen had gedragen was daar ergens na de Tweede Wereldoorlog ineens dat moment dat er iemand “Obliviate!” riep en heel selectief de christelijke religie uit het culturele, religieuze, en filosofische hart van de Westerse beschaving filterde. Net als in de Harry Potter reeks met dit toverwoord het geheugen van mensen selectief gewist kan worden, lijkt het er veel op dat wij Westerlingen eveneens bewerkt zijn met een vergetelheidformule. In een van de laatste Harry Potterfilms spreekt Hermione, een van Harry’s medestanders, ter bescherming van haar ouders, een Obliviate! uit, zodat de gevaarlijke tegenstander van Harry Potter, Lord Voldemort, niet via hen bij Harry kan komen. Gevolg is wel dat Hermione’s ouders niet meer weten wie Hermione is. Net als de ouders van Hermione, lopen wij Europeanen vandaag rond zonder enig besef dat we ooit een diep religieus continent zijn geweest. Wij zijn “obliviated”!

De verbazing geldt dus niet zozeer de vraag naar de theologische taak. Die taak is immers niet zo vanzelfsprekend. Vreemd zijn veeleer de theologen die net doen alsof er geen Obliviate! heeft plaatsgevonden. Zij zijn er tegen beter weten in van overtuigd dat de hoofdtaak van de theoloog nog steeds is om de Kerk te onderwijzen. Om een doctor ecclesiae te zijn. Beseffen deze theologen dan niet dat met een steeds kleiner en onzichtbaar wordende kerk er steeds minder behoefte is aan academisch geschoolde theologen (een gevoelde behoefte die uiteindelijk wel omgekeerd evenredig is aan de werkelijke nood van de Kerk, dat wel)? Beseffen ze niet dat er weldra voor hen geen plek meer gevonden wordt (hoewel verwezen worden naar een plaats buiten de herberg een wonderlijke uitwerking kan hebben, dat wel)? Beseffen ze niet dat met het verdwijnen van theologie als academische discipline de Kerk nog verder gemarginaliseerd wordt in een seculaire samenleving (hoewel het erg goed voor het geestelijk welzijn is om gemarginaliseerd te worden, dat wel)?

Het kan dus goed zijn dat de keuze naar een dogmatiek voor de Kerk, zo stoer en vooruitstrevend in Barths tijd, er nu een is die niet alleen reactionair maar zelfs suïcidaal is. En dat is eigenlijk mijn standpunt. Het laatste wat de Kerk nu nodig heeft is een intellectuele elite die helpt om de buitendeurtjes op slot te doen en introspectief te vertellen hoe fijn het allemaal is om zo samen weg te kwijnen en hoe we toch geweldig samen Christus vertegenwoordigen in een wereld waarvoor Jesus the answer is. “Maar”, klinkt het antwoord op dit antwoord: “Welk samen en Welke Christus, dan?” Het post-christelijke Obliviate! heeft immers elke antwoordgevende betekenis aan het woord Christus ontnomen. “Wablief, een antwoord op wat dan?”

Anderen vinden het fijn dat dit Wablief eindelijk mag leiden tot het verdwijnen van de theoloog uit het straatbeeld of the colonnade van de academia. En dat zijn dan, naast de verachters van de christelijke godsdienst (met wiens argumenten ik in dit essay niet in discussie ga), nog vaak christenen ook die denken dat de Kerk pas tot haar recht komt in anti-intellectuele zelfbevrediging.

Beter is het in mijn optiek om gewoon wel de vraag te stellen wat de taak van de theoloog is. En die vraag moeten we met een volledige openheid stellen. Misschien moeten we er als theologen mee ophouden! Misschien heeft de koningin der wetenschappen zichzelf opgeheven door—zij het niet zonder tegenzin—de weg naar de wetenschappen open te leggen. God is niet dood, maar misschien is God klaar; of is God klaar met ons. Het theologische project is afgelopen. Er valt niet over God te zeggen. God is verborgen en zodra mensen met een positief concept van God aan de slag gaan, wordt het een grote puinhoop, zowel intellectueel en ethisch. Onze moderne tijd met zijn post-christelijke Obliviate! is dan slechts de logische uitwerking van die puinhoop. De beste theoloog is dan een zwijgende.

Ik zelf denk dat dat niet het antwoord is, maar het moge duidelijk zijn dat het nog een crime zal worden om theologie weer zinvol te laten spreken en haar als academische discipline van de ondergang te redden. Is het mogelijk voor ons theologen op dit punt in de geschiedenis van de Westerse Kerk die taak te bepalen en vorm te geven? Ik denk dat dit minstens de discussie waard is.

De taak van de theoloog in historische context

Zij die denken dat theologie bij de Kerk hoort en voor de Kerk is en binnen de context van de Kerk plaats dient te vinden, hebben misschien best gelijk. In zekere zin historisch, maar ook theologisch valt dat argument wel te maken. Maar wat heb je aan zo’n sterk argument als de Kerk een fata morgana geworden is? Bovendien hebben theologen zichzelf in het verleden wel andere takenpaketten aangemeten.

Ik denk bijvoorbeeld aan het werk van Justinus de Martelaar die in de tweede eeuw zich als taak stelde om een brug te slaan tussen het geloof van de christelijke sekte en de intelligentsia van Rome. Hij was niet de enige. De werken die hij en anderen van zijn tijd schreven droegen er aan bij dat het christelijke geloofsgoed niet exotisch en bizar bleef voor de hellenistische cultuur van die tijd. De verregaande verwevenheid van christelijk geloof en Grieks denken die we even later vinden bij Clemens en Origenes getuigt van de grote behoefte aan integratie in die periode. De theologische taak werd gezien als een integreren van de geopenbaarde waarheid zoals men die meende te vinden in de Schriften met de filosofie en wetenschap van die tijd.

Later, in de middeleeuwen begonnen theologen vooral geïnteresseerd te raken in het intellectueel doordenken van het geloofsgoed. Fides quaerens intellectum, het geloof zoekt te verstaan, zei Anselmus. En dat bracht hij in praktijk met zijn Cur Deus Homo (Waarom werd God mens?). Tweehonderd jaar na Anselmus werden de werken van de Griekse filosoof Aristoteles dankzij de contacten met de islamitische wereld opnieuw ontdekt. De eenheid van geloof en natuurlijke kennis mocht niet uit elkaar vallen en dus moet Aristoteles geïntegreerd worden. We denken dan vooral aan het indrukwekkende werk van Thomas van Aquino, die ons natuurlijk heel wat meer heeft geschonken dan de eenheid van natuur en genade.

We spreken over genade. In de 16de eeuw herontdekte Luther de betekenis van het woord genade en de ware strekking van de zogenaamde rechtvaardiging des geloofs. Dit was geen ontdekking die beperkt bleef tot de persoonlijk sfeer. Luthers werk leidde in de eerste plaats tot een gigantische breuk in de Westerse Kerk, een breuk die tot op de dag van vandaag doorwerkt. Maar Luther zorgde er middels zijn weerstand tegen de paus ook voor dat er een enorme disruptie van het middeleeuwse evenwicht tussen klerikale en wereldlijke macht ontstond. Hij ontketende een revolutie die de deur opende naar de moderne tijd. (En daarmee kwam er uiteindelijk ook weer een breuk tussen natuur en genade.)

Zo hebben theologen zich in alle tijden een specifieke taak aangemeten. Het is nooit simpel zo geweest dat een theoloog alleen maar een doctor ecclesiae was, een leraar van de Kerk. In bovenstaande voorbeelden opereerden theologen weliswaar binnen de sfeer van de Kerk en ook met het algemene oogmerk van welzijn van de Kerk, maar in alle gevallen gaven ze daar heel diverse invullingen aan. Die invulling komt tot stand door de context, door de vragen en noden van het moment. Justinus, Clemens, Origenes, Anselmus, Aquino en Luther lieten de vragen van hun tijd op een specifieke wijze inwerken op hun verstaan van de theologische taak. Kortom, de theologische opdracht was verschillend in verschillende tijden en werd net sterk beïnvloed door de wereld van de theoloog als de kerk die hij diende. Het was, denk ik, juist vaak het snijvlak van de interactie tussen Kerk en wereld die aanleiding gaf tot de theologische arbeid.

Het bestaansvacuüm van de hedendaagse theoloog

We nemen dit inzicht mee naar onze vraag wat de theologische taak van vandaag is. Het lijkt me vrij logisch dat ook wij het nu laten meespreken en het snijvlak van Kerk en wereld van invloed laten zijn op de theologische arbeid. Maar dit kunnen wij niet doen, zonder nogmaals nadrukkelijk de eigenaardigheid van de huidige situatie duidelijk te benadrukken. Misschien kunnen we zelfs beter spreken van de abnormaliteit van de huidige situatie. Het is niet alsof de theoloog zich baadt in de weelde van zijn traditie en bij zichzelf afvraagt welk knelpunt zij vandaag eens op kan lossen of hoe zij een blijvende indruk achter kan laten op Kerk en wereld. Nee, de theoloog ís eigenlijk niet meer. Een plaats wordt voor haar niet langer gevonden; niet op straat en vooral ook niet in de academische wereld. (Wie weet, is er misschien nog ergens een kribbe.)

Maar eerst even terug naar het Potteriaanse Obliviate. Wie heeft dat eigenlijk geroepen? Dat is lastig te beantwoorden. Je kunt de Verlichtingsdenkers aanwijzen, maar die waren niet eens zo heel erg tegen God of christendom. Ze hadden hun buik vol van de oorlogen die gevochten werden in naam van geopenbaarde religie. Die weerstand ging natuurlijk wel een eigen leven leiden. Al gauw werd het hele idee van openbaring als zodanig problematisch gevonden, niet slechts vanwege de oorlogszuchtigheid van de geloofsverdedigers maar vooral ook vanwege het toenemend besef dat zo’n idee intellectueel gezien niet erg plausibel is. Nú was er dus ook een filosofisch probleem. Binnen christelijk kamp waren er twee strategieën. Een probeerde het filosofische probleem van openbaring op te lossen door de menselijke gevoelswereld er de oorsprong te laten zijn. Daarmee omzeil je het filosofische probleem. Deze vrijzinnige theologie nam de menselijke maat voor de theologische taak met als gevolg dat de output ervan vooral een religieuze verwoording werd van wat de cultuur als geheel al vond. De christelijke opaciteit was hierin sterk gereduceerd.

Het omgekeerde gebeurde bij het andere kamp. Daar vond men het nodig de filosofische uitdaging jegens het idee van goddelijke openbaring simpelweg te negeren. Een isolationistische strategie moest Kerk en geloof bescherming bieden tegen de afkalving van de moderniteit. De christelijke opaciteit was hier enorm, natuurlijk, vooral in het begin toen de Kerk nog een factor van maatschappelijke betekenis was. Maar met de teloorgang van de Kerk is de isolationistische theologie een hoeder geworden over een stuk leegte, een braakliggend terrein waarvan telkens een stukje af wordt gesnoept.

Vreemd genoeg konden zowel isolationisme (de conservatieve optie) en anthropocentrisme (de vrijzinnige optie) niet verhoeden dat de ruimte die religie en theologie in het bijzonder in de publieke sfeer innamen steeds kleiner werd en ook steeds minder relevant werd. Het feit dat de isolationisten de wereld nog maar zo weinig te vertellen hadden en het feit dat de vrijzinnigen niet veel anders hadden te bieden dan wat de wereld zelf al vond en zei (maar vaak beter), droeg nog verder bij aan de irrelevantie van theologische discours als het gaat om een bijdrage te leveren aan de problemen van vandaag.

Alles welbeschouwd is Obliviate! eigenlijk een gezamenlijk project geweest van conservatieve en vrijzinnige kerken samen met de Westerse beschaving als geheel. Een onvermijdelijk spel van oorzaak en gevolg, actie en reactie, te grote verandering en te geringe, te late respons. Obliviate! was slechts een magisch ogende voltooiing van iets wat men al lang aan had kunnen zien komen: de “demythologisering” van het geloof. Maar nu zijn we daar en is het goed om tot ons door te laten dringen hoe ernstig de zaak voor theologie is. Waar de vroegere theologen, d.w.z. de leraars van de Kerk, zich in de invulling van hun taak sterk lieten leiden door de context van hun tijd en wereld, zodat er, vaak op verrassende wijze interactie met de wereld ontstond en de daarbij horende dimensies van politiek, economie, cultuur, onderwijs en wetenschap, bevindt de huidige theoloog zich in een situatie waar de analogie bijna niet meer doorgetrokken kan worden.

In de oude situatie is er eerst de interne taak ten opzichte van de Kerk die dan in respons tot de wereld in alle actualiteit ten uitvoer wordt gebracht. In het nieuwe plaatje is die Kerk, een vergeten herinnering, een vergeelde prent in de tot reclametent omgebouwde pastorie, of een wegkwijnende gemeenschap die met stamelende amnesie de tale Kanaäns probeert te hertalen voor een ongeïnteresseerde markt. De Kerk is vrijwel niet meer. De primaire taak van de theoloog (namelijk, de Kerk) kan eigenlijk niet meer als uitgangspunt genomen worden voor de dialoog met de wereld. De theoloog is ontworteld en ontheemd. Hij is voortgekomen uit een moeder die ter ziele is gegaan of die net nog kwijnend op het sterfbed ligt.

Geeft de theoloog toe aan de isolationistische verleiding om zich zo te verliezen in een teloor gegane kerk? Of geeft de theoloog ongenodigde en ongevraagde religieuze franje aan wat iedereen al vindt? Maar wat heeft een ontheemde te bieden? Wat heeft de identiteitsloze en ontwortelde theoloog te bieden die zegt, mijn moeder is stervende, de context van mijn arbeid is een mislukt project, mijn verhaal is eigenlijk nooit levensvatbaar geweest, en mijn boodschap is er een van iemand die noch bestaansrecht noch spreekrecht heeft. Zo ernstig is de situatie waarin de theoloog zich de vraag stelt: wat is mijn taak?

De theologische taak vandaag

Ik wil hier mijn voorgaande analyse en de daarbijbehorende karakterisering van de wanhopige situatie van de theologisch arbeid laten rusten. Er valt ongetwijfeld nog veel meer te vunderen en uit te pluizen. Ik ga voor dit essays echter over naar wat ik denk dat de taak van de theoloog is vandaag. Een constructieve move dus. Ik merk daarbij wel op dat ik niet denk dat er geen theologen meer werkzaam zouden moeten zijn binnen de Kerk, of dat de theologische crisis zodanig is, dat er echt niets meer te zeggen valt dan wat nu volgt. Ik wil aan de ene kant rigoureus zijn, maar aan de andere kant ook oog hebben voor de balans. Ik wil echter vooral niet dat die balans mij een radicaal spreken ontneemt zodat een en ander weer toegestopt wordt en verdoezeld, want de situatie is ernstig. En als er een weg voorwaarts is voor theologie in de seculaire context van het Westen dan zal er inventiviteit, daadkracht en moed nodig zijn om nieuwe dingen te zeggen en te doen. Daarin rent deze theoloog ongetwijfeld te hard voor de Kerk, maar in dat rennen kan dan ook een aanmoediging zitten voor de Kerk om op te gaan staan en zich weer naar de wereld toe te keren.

Ik heb het woord radicaal laten vallen. Laat mij een aantal punten noemen waarvan ik denk dat de theologische arbeid zich daar op moet concentreren. Deze punten moeten juist in hun radicaliteit bedreven worden. Theologie moet radicaal publiekelijk worden, radicaal seculair worden en radicaal marginaal worden. Ik zal deze drie punten hieronder één voor één kort aanstippen maar eerst wil ik zeggen dat ik denk dat de beste karakterisering van theologie vandaag is dat zij binnenstebuiten wordt gekeerd. De voering moet aan de buitenkant zitten, zodat publiekelijk zichtbaar is waar het theologische project over gaat. De waterkerende buitenkant moet aan de binnenkant komen te zitten, zodat theologen weer gaan beseffen dat theologie niet een wal opwerpt tegen de wereld of een ecclesiale sfeer schept waarbinnen de Kerk toch vooral zichzelf kan zijn of navel kan staren. Theologie is niet bedoeld voor de Kerk maar voor de wereld. Alleen in die hoedanigheid kan theologie ook de juiste theologie voor de Kerk worden. Als er nog een kerk is, tenminste. Gelet op de huidige situatie is het misschien nodig te stellen dat de theoloog haar arbeid moet verrichten etsi ecclesia non daretur (d.w.z. alsof er geen Kerk is). Maar als de theoloog dan een eenzame roepende is in de woestijn dan is daar het begin, misschien, van een nieuwe Kerk. Het is op deze manier van binnenstebuiten gekeerd zijn dat theologie radicaal publiekelijk moet worden én radicaal seculair én radicaal marginaal. Ik zal deze drie punten kort behandelen.

Tegen de isolationistische trend in de conservatieve theologie stel ik dat theologie een radicaal publiek karakter moet krijgen. Dit geldt in zowel epistemologisch als communicatief opzicht. De claims en aannames die de basis van het theologische project vormen, moeten niet af worden geschermd van de buitenwereld. De theologie heeft geen bescherming nodig tegen aanvallen vanuit de wetenschap of filosofie. De claims waarmee theologie op de proppen komt, moeten kritisch bekeken kunnen worden, maar hebben evengoed, bestaansrecht naast alle andere claims. Theologie is een interpretatie en een daaruit volgende narratief die de totale werkelijkheid in beschouwing neemt en probeert te verklaren. Daarin is theologie niet meer of minder dan, zeg, een materialistische levensopvatting. Juist door de claims van theologie openlijk bespreekbaar te maken, kan er een zinvolle discussie ontstaan waaruit blijkt dat theologie werkelijk wat te zeggen heeft. Maar dat kan dus alleen wanneer theologie radicaal publiekelijk is in communicatieve zin. De bedoeling van theologie is niet om zich te verhullen met een dekmantel van wazigheid of een web van rituelen, maar om te communiceren. Theologie heeft wat te zeggen. Theologie mag zich dan in een crisis bevinden, ontworteld zijn, academisch in het nauw zijn, maar er is nog steeds een doorgaande bezinning op de boodschap en betekenis van De Gekruisigde. Dat symbool is nimmer uitgeput. En theologie dient daar verantwoording over af te leggen en het symbool van de Christus opnieuw te interpreteren voor een seculaire maatschappij die bedreigt wordt door religieus extremisme, populisme, potentiële ecologische vernietiging, en kapitalistische uitbuiting.

Daarnaast moet theologie radicaal post-religieus zijn. Het probleem met religieuze discours in onze maatschappij is dat het als religieuze discours wordt gezien en als zodanig behandeld. Religieuze discours hoort een aparte categorie toe, d.w.z. doet niet echt mee in de vaart der volkeren, raakt niet de echte belangrijke onderwerpen als politiek, economie, of cultuur. Het is een relikwie van een voorbije tijd die gekenmerkt werd door truttigheid en burgerlijke betutteling allemaal in naam van een fictieve godheid. Om deze manier van denken tegen te gaan moeten de symbolen van het christelijk geloof hertaald worden. Te pas en te onpas zal duidelijk moeten worden gemaakt dat waar de theoloog over spreekt het hart raakt van de belangrijke discussies die gevoerd worden over euthanasie, vluchtelingenproblematiek, technologie en economie. Een van de manieren waarop dit moet gebeuren, is door telkens aan te tonen dat wat mensen tot actie beweegt altijd religieus gemotiveerd is. Het draait altijd om macht, geld, en sex. Dat zijn de goden van vandaag en dat het om goden gaat blijkt wel uit het feit dat men bereid is tot de extreemste offers om deze goden af te kopen. En het is juist deze religieuze motivatie die alleen aan de kaak kan worden gesteld door een ander religieus symbool dat de deconstructie betekent van deze religieuze drijfveren: De Gekruisigde. Echter, de theoloog zal alleen gehoord worden als zij over dit onderwerp weet te spreken voorbij het religieuze. Alleen dan zal duidelijk worden dat geloof niet gaat over privé keuzes in de persoonlijke sfeer. En dit spreken moet dan gebeuren etsi Deus non daretur, alsof God er niet is. Deze zin werd door Bonhoeffer geleend van Hugo de Groot om aan te duiden dat christenen in de seculaire werkelijkheid voor Gods aangezicht leven, maar dan wel zo, alsof God er niet is. In deze zin moet de theoloog post-religieus zijn.

Als laatste moet theologie radicaal marginaal zijn. Dit is een ethische oproep die enerzijds een terugkeer betekent naar de radicale ethiek van de Bergrede en de profetische stem in het Oude Testament. Maar het is ook een antwoord op de post-metafysiche trend in filosofie en theologie van de afgelopen 200 jaar. De aandacht voor het verticale (de relatie tussen mens en God zoals die vorm kreeg in het dogma) is steeds meer vertaald geworden naar het horizontale (de relatie tussen mensen onderling als de praktische expressie van de liefde voor en van God). Bij sommige denkers is er een harde breuk, bij anderen is er meer sprake van een verschuiving. Het moge duidelijk zijn dat een theologie die zich exclusief blijft uitdrukken als dogma zowel isolationistisch als “religieus” blijft. Waar het om gaat in de ware christelijke godsdienst is dat wij ons bekommeren om “wezen en weduwen.” De theoloog mag gebruik maken van deze ethische shift in het intellectuele denken om zo weer opnieuw uit te komen bij Jezus’ samenvatting van de wet en de profeten: God liefhebben met je hele hebben en houden en je naaste als jezelf. De christelijke theologie heeft daarbij op te boksen tegen 1700 jaar waarin de Kerk zich voornamelijk bezig heeft gehouden met zelfverrijking, oorlogen, en machtspolitiek. Alleen door exclusief plaats te nemen in de marge, kan de theoloog laten zien dat het menens is.

Het is dan ook essentieel dat de theologische discours radicaal gericht is op daar waar het in deze wereld om draait: de marge. Daar waar de onderdrukte is, de uitgebuitte, de verschopte en verstotene, daar is De Gekruisigde. De marge wordt zo het nieuwe centrum van de theologie in solidariteit met hen die zich daar bevinden en in navolging van de God die strevende is aan een kruis. Juist de stervende god is het symbool dat de dood van god weerspreekt, omdat het een solidair sterven is, een actief zichzelf weggeven ten behoeve van anderen, i.p.v. door irrelevantie uitgeveegd te worden. En daar en daar alleen mag de theologische discours gelokaliseerd zijn. Met deze marginalisering worden de eisen van publiekelijkheid en post-religiositeit vervuld. Er is immers geen publiekelijkere stem dan die zegt dat “dit wat hier gebeurt” onrecht is en veranderen moet. En theologische discours kan nooit meer post-religieus zijn dan wanneer het zegt en naleeft dat de ware liefde van God het compromisloze Nee is tegen het economische en politieke geweld dat in deze wereld plaatsvindt. Dan kan het kruis weer verstaan worden als een sprekend en werkzaam symbool dat opgericht werd om slachtoffers en overtreders, onderdrukten en onderdrukkers van zichzelf te verlossen en met elkaar te verzoenen.

Dit is een theologie die moeilijk thuis is in het academische omdat het doel niet wetenschappelijke kennis maar liefde en gerechtigheid is. Dit is een theologie die maar moeilijk thuis is in de Kerk, niet alleen omdat de Kerk haar opaciteit grotendeels verloren is, maar ook omdat dit profetische theologie is die de Kerk aan haar naar buiten gerichte taak herinnert. Maar wanneer theologen hun theologische taak serieus opvatten, kan er toch nog iets nieuws ontstaan, waarbij er opnieuw sprake is van een levende Kerk en een academische wereld die bij theologen te rade gaan voor bezielende inspiratie. Net als in Harry Potter is er uiteindelijk meer nodig dan een toverspreuk om de boel weer recht te trekken. Harry Potter moet zijn eigen leven in de waagschaal stellen. Om het post-christelijke Obliviate! tegen het christelijk geloof in onze cultuur van repliek te dienen, wordt er van theologen grote inzet, creatieve moed, en radicaliteit geëist, zonder de Kerk voor de Kerk, zonder God voor God, in naam van de Gekruisigde.


Comments ( 2 )

  1. Pleidooi voor radicale godgeleerdheid – VanGodenEnMensen
    […] Zie: Theologie in de 21ste eeuw: de taak van een discipline in het nauw […]
  2. Wetenschap: God of afgod? 2 De grenzen van de wetenschap | Stepping Toes
    […] Theologie in de 21ste eeuw: de taak van een discipline in het nauw […]